Aanmaning
  –  Meestal schriftelijke aansporing tot het alsnog betalen van een openstaande rekening.

Aansprakelijkheidsverklaring
  –  Een moederonderneming verklaart zich hoofdelijk mede aansprakelijk voor de schulden die zijn aangegaan door een dochteronderneming.

Achterstallige vordering
  –  Een vordering, die niet is betaald op de overeengekomen datum en in de overeengekomen valuta.

Activa
  –  Bezittingen en vorderingen van een onderneming. Deze staan vermeld op de debetzijde van de balans.

Algemene voorwaarden
  –  Algemene betalings– en leveringsvoorwaarden, condities, schriftelijke bedingen die de rechten en plichten van crediteur en debiteur met betrekking tot hun overeenkomst vastleggen, zoals levering, aansprakelijkheid en betaling, met uitzondering van de kernbedingen.

Balans
  –  Een overzicht van de bezittingen en schulden van een onderneming. Elke onderneming heeft de plicht deze jaarlijks op te stellen.

Beslag onder derden
  –  Derdenbeslag, beslaglegging door de crediteur op gelden of goederen, die onder derden rusten en die aan zijn debiteur zijn verschuldigd of toebehoren

Beslag op bankrekening
  –  Beslaglegging op de bankrekening(en) van debiteur. Deze vorm van beslag is een momentopname: als er op het moment van beslaglegging geen tegoeden zijn, heeft het beslag geen doel getroffen. De tegoeden die ná beslaglegging op de rekening komen vallen niet onder het beslag.

Beslag op inkomsten
  –  Het ten uitvoer leggen van een titel door het leggen van beslag onder een derde (derdenarrest) op de inkomsten van een schuldenaar, waardoor de inkomsten niet meer aan de schuldenaar toekomen, maar waardoor zij in de meeste gevallen rechtstreeks aan de deurwaarder worden betaald die het eerst beslag heeft gelegd. Als er meer beslagen worden gelegd, verdeelt de eerste beslaglegger de gelden naar rato van de vordering.

Beslagvrije voet
  –  Het gedeelte van het inkomen dat ter beschikking blijft van een beslagene, zodat hij kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Alles wat boven de beslagvrije voet wordt verdiend, wordt ingehouden ten behoeve van de beslaglegger.

Bestuurdersaansprakelijkheid
  –  Het persoonlijk aansprakelijk stellen van bestuurders voor schulden van een rechtspersoon als gevolg van wanbeleid.

Betaling tegen documenten
  –  Betalingsvoorwaarde die erin voorziet dat de leverancier de eigendom van de zaken behoudt tot het moment waarop volledig is betaald aan degene die verantwoordelijk is voor het aan de debiteur overhandigen van de documenten die de zaken vertegenwoordigen.

Betekenen
  –  De ambtelijke handeling, waarbij een deurwaarder een door hem opgemaakte akte ofwel exploot ter kennis brengt en in persoon afgeeft of achterlaat aan het adres van schuldenaar.

Bodemprocedure
  –  De gebruikelijke juridische procedure, waarbij eerst wordt geprocedeerd, het vonnis wordt uitgesproken en daarna tot executie kan worden overgegaan.

Boedelkrediet
  –  In geval van faillissement of surseance van betaling moeten er doorgaans nog uitgaven worden gedaan (door de curator of bewindvoerder) Het hiervoor beschikbare krediet wordt boedelkrediet genoemd omdat er een relatie bestaat tussen het krediet en de faillissementsboedel.

Branchevoorwaarden
  –  Algemene voorwaarden, opgesteld door een bepaalde bedrijfstak, rekening houdend met datgene wat in die bepaalde branche gebruikelijk is. Een onderneming is niet verplicht deze branchevoorwaarden te hanteren.

Buitengerechtelijke fase
  –  Fase waarin partijen, zonder tussenkomst van de rechter, hun geschil proberen op te lossen.

Buitengerechtelijke kosten
  –  Vergoeding van de kosten, die verband houden met het werk dat wordt verricht om een vordering te incasseren vóórdat er een gerechtelijke procedure aan te pas komt.

Cashflow
  –  De cashflow (kasstroom) is het verschil tussen de brutowinst en de uitgaven c.q. kosten/lasten die aangewend kan worden om lopende uitgaven te kunnen financieren. Men berekent de cashflow als volgt: nettowinst + afschrijvingen = cashflow.

Cashmanagement
  –  Het beheer van de geldstroom van de onderneming (ook wel de liquiditeitenstroom genoemd), met als doel kostenbesparing, risicobeperking en/of rendementsverbetering.

Comparitie
(van partijen)  –  Rechtszitting op last van de rechter waarbij de aanwezigheid van beide partijen wordt gevergd om nadere inlichtingen te verschaffen en om te proberen het geschil te schikken. Aanwezigheid van de partijen is overigens niet verplicht. Afwezigheid doet de vordering of het verzet daarentegen geen goed.

Conclusie
  –  Gerechtelijk geschrift, ingebracht door de procureur, met de beweringen van een partij.

Conclusie van antwoord
  –  Conclusie, volgend op de conclusie van eis, met het standpunt van debiteur in reactie op dat van crediteur.

Conclusie van dupliek
  –  Reactie van gedaagde, al dan niet schriftelijk, op de conclusie van repliek (zie ook ‘conclusie van repliek’) van eiser.

Conclusie van eis
  –  Eerste conclusie in de juridische procedure met de eis van crediteur en wat verder in de dagvaarding staat vermeld.

Conclusie van repliek
  –  Schriftelijk antwoord van eiser op de reactie van gedaagde op de dagvaarding.

Conservatoir beslag
  –  Het beslag dat tot doel heeft verhaalsobjecten veilig te stellen in het geval dat er nog niet beschikt wordt over een executoriale titel en er gevreesd moet worden voor verduistering van de verhaalsobjecten.

Crediteur
  –  Een persoon of een onderneming met een vordering op een andere persoon of onderneming (schuldeiser).

Creditnota
  –  Factuur die in mindering wordt gebracht op de oorspronkelijke factuur vanwege gebreken of kwijting.

Curator
  –  Door de rechter aangestelde persoon die optreedt namens de onder curatele gestelde. Tevens: de persoon aan wie de afwikkeling van een faillissement is opgedragen.

Current ratio
  –  De current ratio geeft de verhouding tussen vlottende activa en vlottende passiva weer. Een positieve current ratio staat altijd boven de 1. De current ratio kan en mag echter verschillen per soort bedrijf. Zo kan een handelsonderneming met veel makkelijk te verkopen goederen (lees: incourante goederen) mogelijk volstaan met een current ratio van 1. Terwijl een fabrikant van duurzame productiemiddelen een current ratio van minimaal 2 moet hebben, omdat zijn producten niet snel en makkelijk in geld zijn om te zetten.

Formule: Vlottende Activa / Vlottende Passiva
Men berekent de current ratio als volgt: vlottende activa / vlottende passiva = current ratio

Dagvaarding
  –  De oproep bij exploot om voor de rechter te verschijnen op een in het exploot vermelde plaats en tijd. In de dagvaarding wordt de rechter verzocht om de schuldenaar te veroordelen tot betaling of om iets te doen of om iets niet te doen. De dagvaarding is de inleiding tot een civiele procedure.

Debiteur
  –  Een onderneming die door de leverancier verkochte zaken koopt of door hem verrichte diensten laat uitvoeren.

Debiteuren
  –  Dit zijn openstaande rekeningen van personen of bedrijven, omdat zij goederen of diensten geleverd hebben gekregen die niet gelijk (contant) zijn betaald. Kortom: debiteuren zijn alle rekeningen die nog aan een onderneming of organisatie moeten worden voldaan.

Debiteurenbeheer
  –  Het beleid dat een onderneming voert ten aanzien van haar debiteuren. Doel is het zo effectief mogelijk incasseren van vorderingen (op tijd betaald worden met een zo klein mogelijk risico van non–betaling en tegen zo min mogelijk indivning).

Debiteurenbeleid
  –  Een vooraf bepaalde strategie inzake het debiteurenbeheer. Het debiteurenbeldeid vormt een onderdeel van het bedrijfsbeleid.

Debiteurenrisico
  –  Dat afnemers (debiteuren; kredietnemers) soms niet kunnen of willen betalen vormt een risico dat met debiteurenrisico wordt aangeduid.

Debiteurenverzekering
  –  Een verzekering die het risico van non–betaling door afnemers dekt (ook wel kredietverzekering genoemd).

Deurwaarder
  –  Gerechtsdeurwaarder, benoemd door de Koningin en belast met het uitbrengen van dagvaardingen en andere exploten, inbeslagnemingen en executoriale verkopen.

Doorlopend krediet
  –  Een (bank)rekening waarmee tot een bepaald maximum mag worden geleend (ook wel ‘rood staan’ genoemd). Als vergoeding voor dit doorlopende krediet wordt rente betaald.

Dwangakkoord
  –  Wanneer aanvaarding en homologatie van het akkoord een feit zijn is het akkoord van kracht voor alle crediteuren, ook degenen die niet of tegen hebben gestemd.

Dwangbevel
  –  Een ten uitvoer te leggen bevel om te betalen zonder dat rechterlijke tussenkomst vereist is. Dwangbevelen kunnen slechts door de overheid en semi-overheid worden uitgevaardigd. Een invorderingsambtenaar kan volgens de Invorderingswet 1990, na het verstrijken van de termijn van de aanmaning, een dwangbevel uitvaardigen. Het document gaat vergezeld van een akte van betekening welke, zodra deze betekend is, bevel inhoudt om het verschuldigde bedrag binnen twee dagen te betalen. Het dwangbevel levert een executoriale titel op.

Dwangsommen
  –  Een dwangsom behoort (net als het toepassen van bestuursdwang) tot de handhavingsinstrumenten, waarover een bestuursorgaan beschikt om tot herstel van een met de wet strijdige situatie te komen of herhaling van een overtreding van de wet te voorkomen. In beide gevallen dient het bestuursorgaan de vordering bij beschikking op te leggen. De vorderingen komen weliswaar voort uit een publieke taak van de overheid, maar niet kunnen worden geïnd met toepassing van een fiscale invorderingsprocedure volgens de Invorderingswet 1990. Voor de dwanginvordering van dwangsommen is geen vonnis vereist, echter ter verkrijging van een titel dient een bevel door een gerechtsdeurwaarder te worden betekend.

Eenmanszaak
  –  Eenmanszaak is een ondernemingsvorm waarbij één natuurlijke persoon voor eigen rekening en risico een bedrijf voert.Als de eigenaar van een eenmanszaak in gemeenschap van goederen getrouwd is, dan vallen de bezittingen van beide echtgenoten onder het gezamenlijk vermogen. De schuldeisers van het bedrijf kunnen dan op dit hele gezamenlijke vermogen een beroep doen. Door het aangaan van door de notaris vastgelegde huwelijkse voorwaarden, kan de partner die geen ondernemer is buiten het zakelijk risico van de zaak gehouden worden.

Eigen Vermogen
  –  Het eigen vermogen van een onderneming is de somma van al het geld en alle bezittingen wat de ondernemer in zijn/haar bedrijf heeft geïnvesteerd. Het eigen vermogen hoeft niet alleen uit het privé vermogen van de ondernemer te bestaan, maar kan ook bestaan uit een achtergestelde lening, of kapitaal wat door een participatiemaatschappij en/of aandeelhouders is ingebracht.

Eigendoms voorbehoud
  –  Een overdracht onder opschortende voorwaarde. De eigendom van de zaak gaat pas over na verrichting van de verschuldigde tegenprestatie.

Executie
  –  Tenuitvoerlegging van een vonnis of van een dwangbevel.

Executiegeschil
  –  Een geschil omtrent de tenuitvoerlegging van een titel. Als de geëxecuteerde het niet eens is met de tenuitvoerlegging kan hij zich wenden tot de arrondissementsrechtbank, die beoordeelt of de tenuitvoerlegging gegrond en rechtmatig plaatsvindt.

Executoriaal beslag
  –  Vatbaar voor gerechtelijke executie, beslaglegging op basis van een vonnis. Eerst wordt de juridische procedure gevoerd, daarna start de executie

Executoriale titel
  –  De rechtsgrond op basis waarvan kan worden over gegaan tot executie c.q. tenuitvoerlegging. Een titel is b.v. een betekend vonnis of een betekend dwangbevel. Aan het hoofd moet staan ‘In naam der Koningin’.

Executoriale verkoop / executieverkoop
  –  Openbare verkoop van in beslag genomen zaken, die plaatsvindt ten gevolge van een betekend vonnis of dwangbevel (executoriale titel).

Exploot
  –  Een door een deurwaarder opgesteld en ondertekend stuk (akte), waarin een ambtelijke handeling van de deurwaarder is vastgelegd.

Fabricage risico
  –  Onder fabricage risico wordt verstaan de periode tussen aanvang van de uitvoering van de order en de levering of verzending van zaken. De termen voorrisico en produktierisico worden ook gebruikt.

Factoring
  –  Het uitbesteden van de debiteurenadministratie, inclusief het uitbesteden van het risico, aan een gespecialiseerd bedrijf.

Faillissement
  –  Een door de rechter opgelegde algehele beslaglegging op het vermogen en alle inkomsten van een debiteur die heeft opgehouden te betalen. Na liquidatie van het vermogen door de curator wordt de opbrengst onder de schuldeisers verdeeld.

Financiële lease
  –  Bij financiële lease kiest een bedrijf het gewenste bedrijfsmiddel, wat de leasemaatschappij vervolgens voor het bedrijf koopt. Het bedrijf betaalt voor het gebruik van het bedrijfsmiddel, gedurende een vastgestelde periode, een periodieke vergoeding aan de leasemaatschappij. Aan het einde van de vastgestelde periode krijgt het bedrijf het bedrijfsmiddel in haar bezit.

Financieringsplan
  –  Plan waarin aangegeven staat hoe de financiering van een onderneming of een project gaat worden ingevuld.

Freelancers
  –  Een freelancer is in principe eigen ondernemer. Dat betekent dat hij zelf verantwoordelijk is voor de afdracht van belasting, sociale premie en verzekeringen. De freelancer heeft evenmin een wettelijk recht op zaken als doorbetaalde vakantiedagen, doorbetaling bij ziekte of het minimumloon. Een werkgever sluit met een freelancer een overeenkomst tot het uitvoeren van een opdracht. Daarin behoort in ieder geval de aard van de opdracht, de termijn en de beloning te staan. De overeenkomst eindigt vanzelf nadat de opdracht is uitgevoerd. Een freelancer is doorgaans een specialist, zoals een advocaat of een journalist. Omdat freelancers meestal flexibel zijn, kan een werkgever ze inzetten voor maatwerk. Dat bespaart hem kosten en leidt tot kwalitatief hoge resultaten.

Garantievermogen
  –  Het totaal aan vermogensbestanddelen (aandelenkapitaal, achtergestelde leningen, reserves e.d.) van een onderneming, die crediteuren de niet–formele garantie bieden voor schadeloosstelling bij een eventueel faillissement van de onderneming.

Gebreke, in
  –  verzuim, In, wanprestatie (geen overmacht). Zowel een debiteur als een crediteur kan in gebreke zijn. Gevolg: mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst.

Geconsolideerde jaarrekening
  –  De jaarrekening, waarin alle baten en lasten van de rechtspersonen en vennootschappen die een groep(sdeel) vormen als één geheel worden opgenomen.

Gedeeltelijke betaling
  –  Betaling, die niet leidt tot een volledige dekking van de hoofdsom van de vordering inclusief rente, vervolgings–/incassokosten en andere bijkomende kosten.

Gemiddelde krediettermijn
  –  De gemiddelde termijn die verstrijkt tot de vorderingen op debiteuren worden betaald (geeft de snelheid van betalen van de afnemers aan).

Geplaatst kapitaal
  –  Het bedrag waarvoor de B.V./N.V. aandelen heeft uitstaan.

Gerechtelijke fase / gerechtelijk procedure
  –  Fase in het incassoproces voor privaatrechtelijke vorderingen, volgend op de minnelijke fase (zie ook ‘minnelijke fase’), waarin via een procedure bij de rechtbank een executoriale titel wordt verkregen en de vordering door inzet van dwangmiddelen wordt verhaald. De gerechtelijke fase wordt uitsluitend ingezet indien de debiteur niet betaalt naar aanleiding van sommaties (zie ook ‘sommaties’) en telefonische incasso. Ook is goedkeuring van de opdrachtgever vereist.

Gerechtelijke kosten
  –  Kosten die gemaakt zijn tijdens de juridische procedure, bijvoorbeeld griffierechten, in tegenstelling tot buitengerechtelijke kosten.

Geschil
  –  Elk geval van betwisting van de hoogte of de juistheid van de vordering van de leverancier of de daaraan verbonden rechten voor wat betreft de grondslag of de omvang; dit geldt ook voor wat betreft de grondslag of de omvang voor nog uitstaande verrekeningen van eventuele verplichtingen van de leverancier jegens de debiteur.

Gestort kapitaal
  –  Het deel van het geplaatst kapitaal van een besloten of naamloze vennootschap dat de aandeelhouders ook daadwerkelijk in de vennootschap hebben gestort

Griffie
  –  Secretarie van de rechterlijke colleges.

Griffier
  –  Secretaris van de rechterlijke colleges.

Griffierecht
  –  Leges, geheven voor de verrichtingen van de griffier van een rechterlijke instelling

Grosse
  –  Gewaarmerkt afschrift van een officiële akte, zoals een vonnis van de rechtbank.

Handelsinformatie
  –  Informatie over de betalingsmoraal en/of gegoedheid van een mogelijke of een bestaande handelspartner, te verkrijgen bij daarin gespecialiseerde bureaus.

Handelsregister
  –  In het handelsregister van de kamer van koophandel staan ondernemingen, verenigingen en stichtingen ingeschreven. De gegevens in dit register zijn openbaar en kunnen door iedereen worden geraadpleegd. In één oogopslag is er bijvoorbeeld duidelijk wie er bevoegd is om contracten te tekenen of aansprakelijk voor financiën. Zo draagt het handelsregister bij tot zeker zakendoen. Het handelsregister bevordert niet alleen de rechtszekerheid, maar is ook een nuttige informatiebron voor en over bedrijven. Veel ondernemingen en organisaties gebruiken gegevens uit het handelsregister voor bijvoorbeeld onderzoek, verkoop of debiteurenbeheer. De beschikbaarheid en de juistheid van de gegevens in het register zijn dus voor iedereen van groot belang.  –  Handelsregisterwet De Handelsregisterwet bepaalt wie zich in het handelsregister moeten laten inschrijven. Dat zijn, op een paar uitzonderingen na, alle ondernemingen en rechtspersonen, inclusief de bijbehorende nevenvestigingen (filialen, bijkantoren en andere gebouwen waar "duurzame" bedrijfsuitoefening plaatsvindt). Rechtpersonen zijn: naamloze en besloten vennootschappen, stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Uitzonderingen: niet ingeschreven worden: Eenmanszaken in de landbouw en de visserij; De zogeheten vrije beroepsbeoefenaren; Ondernemingen van een publiekrechtelijk (overheids)lichaam; Ondernemingen waarin alleen de straathandel in de vorm van venten wordt uitgeoefend.  –  Gegevens handelsregister Aan de hand van de opgenomen gegevens in het handelsregister kan iedere geïnteresseerde nagaan wat een onderneming of rechtspersoon doet, wie er verantwoordelijk of aansprakelijk is en wie bevoegd is namens de onderneming of rechtspersoon rechtshandelingen te verrichten. Zo is van alle ondernemingen en nevenvestigingen een korte bedrijfsomschrijving opgenomen waaruit blijkt wat voor soort werkzaamheden er plaatsvinden. Verder staan ingeschreven: de handelsnaam waaronder wordt gewerkt, de ondernemingsvorm, het adres (met telefoonnummer, faxnummer en eventueel e–mailadres) en het aantal werkzame personen. Ook zijn persoonsgegevens opgenomen van de eigenaren, bestuurders, de enig aandeelhouder, vennoten, commissarissen en gevolmachtigden. Van rechtspersonen die verplicht zijn hun jaarstukken bij de kamer van koophandel te deponeren, staan ook de financiële gegevens opgenomen.

Incasso
  –  De inning van vorderingen.

Ingebrekestelling
  –  Verklaring van een schuldeiser tegenover zijn schuldenaar, waarin de laatste aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die eerstgenoemde lijdt ten gevolge van het uitblijven van nakoming van een tussen beide partijen aangegane verbintenis.

Insolventie
  –  De onmacht om schulden te betalen.

Insolventie
  –  Insolventie doet zich voor, wanneer: a) het faillissement van de debiteur is uitgesproken óf bij gebrek aan baten is gesloten; b) aan de debiteur surseance van betaling is verleend; c) met betrekking tot de debiteur een schuldsanering tot stand is gekomen; d) de executie van een vonnis als gevolg van een gerechtelijke veroordeling van de debiteur niet tot volledige betaling van de vordering heeft geleid; e) zich buiten Nederland omstandigheden voordoen die vergelijkbaar zijn met een of meer van de onder a) tot en met d) genoemde situaties en die voortvloeien uit de wetgeving van het land waarin de debiteur is gevestigd of kantoor houdt. De term “insolvent” heeft een overeenkomstige betekenis.

Interest
  –  Interest (rente) zijn de kosten die verbonden zijn aan het aantrekken van een lening (=vreemd vermogen).

Jaarrekening
  –  De balans en de winst- en verliesrekening met de toelichting die een onderneming na afloop van een boekjaar verplicht is op te maken. De jaarrekening moet een getrouw inzicht geven in de financiële positie van de onderneming en wordt om die reden meestal door een accountant opgesteld.

Jurisprudentie
  –  Rechtsleer door de rechtspraak gevormd, verzamelingen van vonnissen en bewerkingen daarvan. De belangrijkste uitspraken worden wekelijks gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie.

Kamer van koophandel
  –  De kamer van koophandel is een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie met een sterk privaatrechtelijk karakter. De kamer van koophandel heeft de opdracht om de economie in de regio te bevorderen en voert drie wettelijke taken uit: WetsuitvoeringVoorlichting Regiostimulering  –  Wetsuitvoering De kamer van koophandel werkt aan een economie waarbinnen iedereen zeker zaken kan doen. Daartoe voert de kamer van koophandel een aantal economische wetten uit, waaronder de Handelsregisterwet. Een belangrijke activiteit is dan ook een betrouwbare en actuele registratie van bedrijfsgegevens, die voor iedereen toegankelijk zijn.  –  Voorlichting Daarnaast ondersteunt de kamer van koophandel ondernemingen bij hun bedrijfsvoering.De kamer van koophandel geeft informatie, voorlichting en ondersteuning voor de ondernemerspraktijk. Van de start tot de overdracht van een onderneming. Op vrijwel ieder zakelijk gebied.  –  Regiostimulering Ten slotte stimuleert de kamer van koophandel het economische klimaat in de regio. De kamer van koophandel laat onder andere de stem van het bedrijfsleven doorklinken in de plannen van de overheden. Zij nemen ook initiatieven die het bedrijfsleven letterlijk en figuurlijk meer ruimte geven om te ondernemen.

Kernbeding
  –  Beding dat de kern van een prestatie raakt. Een kernbeding maakt deel uit van de overeenkomst en niet van de algemene voorwaarden.

Kortlopend krediet
  –  Een krediet met een looptijd van maximaal twee jaar.

Kosteloze herinnering
  –  Uitnodiging tot betaling van de schuld waarvan de vervaldatum is verstreken, zonder dat daarbij invorderingskosten in rekening worden gebracht.

Krediet
  –  De som geld die een kredietgever aan een kredietnemer ter beschikking stelt onder beding van terugbetaling en meestal tegen vergoeding van rente. Er is ook sprake van krediet als geleverde goederen of diensten niet contant of vooruit worden betaald.

Kredietfaciliteit
  –  Het geheel aan kredietvormen waarover een onderneming bij een bank beschikt kredietlimiet de bovengrens van een kredietfaciliteit waarvan de kredietnemer wisselend gebruik kan maken, zoals bij een rekening–courantkrediet.

Kredietinformatie
  –  Het rapport dat aangeeft of een toekomstig of vaste klant kredietwaardig is.

Kredietverzekering
  –  De verzekering van het betalingsrisico en/of het fabricagerisico (zie ook debiteurenverzekering).

Kwijtschelding
  –  Ter/tegen finale kwijting, afstand van recht, rechtshandeling waarmee een crediteur de debiteur geheel of gedeeltelijk van zijn verplichting bevrijdt. De kwijting dient aanvaard te worden door de debiteur.

Lang krediet
  –  Lang krediet wordt door de onderneming gebruikt om vaste activa, meestal een bedrijfdivd of bedrijfsgrond, te financieren voor een periode vanaf tien jaar.

Letter of Credit
  –  (Documentair krediet) verbintenis van een bank, voor rekening van derden (opdrachtgever) of voor eigen rekening, om een bepaald bedrag te betalen aan een begunstigde (dienstverlener, verkoper, leverancier) Een letter of credit is een waarborg in geval van nakoming.

Leverancierskrediet
  –  Leverancierskrediet is een vorm van kortlopend vreemd vermogen waarbij de leverancier aan de afnemer krediet verleent, door eerst de goederen te leveren en pas later de contraprestatie te ontvangen. Het leverancierskrediet is een voor de ondernemer makkelijke vorm om tijdelijk kapitaal te lenen. Echter het leverancierskrediet is vaak niet gratis. De leverancier rekent een bepaald percentage over de nog niet betaalde goederen als rentevergoeding. Een ondernemer zal dan ook altijd uit moeten rekenen of dit krediet wel zo goedkoop is. Het zou best wel eens kunnen zijn dat de ondernemer bij zijn of haar bank voordeliger aan geld kan komen.

Levering
  –  De zaken worden voor de toepassing als geleverd beschouwd, zodra zij aan de debiteur of zijn lasthebber ter beschikking zijn onder de voorwaarden als bepaald in de overeenkomst.In geval van verkoop met het beding betaling tegen documenten geldt als tijdstip van de levering de aankomst van de zaken en de documenten op de plaats van bestemming.

Leveringsvoorwaarden
  –  De op schrift gestelde en meestal bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde voorwaarden op basis waarvan standaard de levering van goederen of diensten van een onderneming plaatsvindt.

Liquidatie
  –  Het ontbinden van een onderneming door het stuksgewijs verkopen van de bezittingen.

Liquide middelen
  –  Direct beschikbare geldmiddelen, contant in kas dan wel direct beschikbaar op een bank– of girorekening.

Liquiditeit
  –  De mate waarin een onderneming in staat is om aan de lopende financiële verplichtingen te voldoen.Dat wil zeggen: de onderneming moet in staat zijn met de vlottende activa de vlottende passiva te voldoen.

Liquiditeitenbeheer
  –  Het optimaliseren van de beschikbaarheid en het rendement op de liquide middelen.

Liquiditeitspositie
  –  Het verschil tussen inkomsten en uitgaven, uitgedrukt in feitelijke geldstromen: kas–, bank–, en girosaldo.

Liquiditeitsprognose
  –  Schematisch overzicht van de in een bepaalde periode verwachte verschuivingen in de liquiditeitspositie als gevolg van inkomende en uitgaande betalingen.

Maatschap
  –  Een overeenkomst tussen twee of meer personen (maten) om iets (geld, werkkracht) in een gemeenschap in te brengen, met het doel de daaruit voortvloeiende baten samen te delen.

Maatschappelijk kapitaal
  –  Statutair kapitaal, aandelenkapitaal dat volgens de statuten van een B.V./N.V. maximaal kan worden uitgegeven of geplaatst.

Middellang krediet
  –  Middellang krediet wordt door de onderneming gebruikt om vaste activa zoals bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen te financieren die een economische levensduur van 5 tot 8 jaar kennen. Ook een verbouwing zou in sommige gevallen gefinancierd kunnen worden met een middellang krediet. De kredietvorm waar de onderneming voor kiest behoort altijd afhankelijk te zijn van de economische levensduur van het te financieren bedrijfsmiddel. Een middellang krediet kent in tegenstelling tot het rekening-courantkrediet wel vaste betalingen en een van tevoren vastgesteld rentepercentage*. * Uitzonderingen daar gelaten! Er zijn banken die diverse variaties op de vaste betalingen en rente kennen. Echter doorgaans kennen de meeste banken alleen de gebruikelijke vorm van vaste betalingen en een vast percentage rente.

Midden– en kleinbedrijf
  –  Verzamelnaam voor alle ondernemingen met een beperkte omvang. Doorgaans rekent men bedrijven tot vijftig medewerkers tot het midden– en kleinbedrijf. Voor kleinbedrijf wordt wel de grens van negen medewerkers gehanteerd.

Minnelijke fase
(door een incassobureau of andere externe incassopartner)   –  Fase waarmee het incassotraject voor privaatrechtelijke vorderingen aanvangt; ook wel buitengerechtelijke fase genoemd. In deze fase wordt de schuld op minnelijke wijze, dat wil zeggen zonder toepassing van rechterlijke dwang, op de debiteur verhaald door middel van aanschrijven en telefonische incasso . Ook doet het incassobureau onderzoek naar de verhaalbaarheid van de vordering en verricht het incassobureau alle overige benodigde administratieve handelingen zoals het doorsturen van bezwaarschriften, het beantwoorden van telefoongesprekken etc. Het incassobureau sluit de minnelijke fase af met een verklaring (zie verder ‘verklaring’).

Moederonderneming
  –  Holding, houdstermaatschappij, leiding van een concern, geeft leiding aan (een) dochteronderneming(en).

Naamloze vennootschap
  –  Bij notariële akte opgerichte vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal van ten minste NLG 100.000,–. EUR 61.500,–. De aandelen staan op naam of zijn aan toonder. Iedere aandeelhouder loopt slechts risico tot het bedrag van zijn deelneming.

Natuurlijk persoon
  –  De mens gezien als subject van rechten.

Net Cash Flow
  –  Som van de afschrijvingen en netto winst (na belasting).

Netto schade (kredietverzekering)
  –  De netto schade vloeit voort uit:het totaalbedrag van verzekerde en onbetwiste vorderingen uit hoofde van uit de leveringen of verzendingen van zaken en / of verrichtingen van diensten, inclusief voor zover van toepassing:de BTW, wanneer deze verzekeringsovereenkomst daarvoor verzekeringsdekking geeft;rente tot de vervaldag, echter niet over de periode daarna;kosten van verpakking, vracht en door de debiteur verschuldigde verzekeringspremie en belasting, met uitzondering van achterstalligheidsrente, boetes of schadevergoedingen;verminderd met:het totaalbedrag van alle provenu’s, die tot het tijdstip van het opmaken van de schadeberekening door de verzekerde of door de verzekeringsmaatschappij zijn ontvangen en het totaalbedrag aan kosten, dat u dan wel de verzekerde hebt bespaard vanwege de schade op de vordering.

Nettomarge
  –  Onder Nettomarge wordt verstaan de verhouding tussen de Nettowinst en de Omzet. Formule: Formule: Nettowinst / Omzet x 100%= Nettomarge

Nettowinst
  –  Onder Nettowinst wordt verstaan de Brutowinst na aftrek van alle kosten en na belasting. Formule: Nettowinst = Brutowinst  –  Kosten  –  Belasting.

Niet betaling
  –  Niet betaling van een vordering doet zich voor, wanneer een debiteur een factuur niet heeft betaald op de datum, in de valuta vermeld in de overeenkomst.

Offerte
  –  Een voorstel tot het aangaan van een overeenkomst, dat zijn kracht verliest door tijdsverloop of herroeping.

Omzet
  –  Het totale bedrag van alle verkopen. Formule: Netto verkoopprijs x Aantal = Omzet.

Onderneming
  –  Elke, op het maken van winst gerichte, zelfstandige, duurzaam bedoelde organisatie, die aan het handelsverkeer deelneemt.

Onderpand
  –  Alle vormen van ‘zekerheid’ die een schuldenaar verschaft tot verhaal van alles wat een schuldeiser op hem te vorderen heeft.

Onroerende zaken
  –  Grond, gebouwen, nog niet gewonnen delfstoffen, met de grond verenigde beplantingen en zaken die duurzaam met de grond verenigd zijn.

Ontbinding
  –  Beëindiging. Een wederkerige overeenkomst kan worden ontbonden wanneer de debiteur in verzuim is. Na het besluit tot ontbinding van een rechtspersoon kan men tot liquidatie overgaan.

Ontruimen
  –  Het tenuitvoerleggen van een vonnis waarin de schuldenaar is veroordeeld tot ontruiming. Een veroordeelde schuldenaar, die geen gehoor geeft aan het bevel te ontruimen, kan gedwongen worden ontruimd. Tot ontruiming is slechts een deurwaarder bevoegd, desnoods met behulp van de 'sterke arm' (politie).

Onverschuldigde betaling
  –  Prestatie zonder dat deze verschuldigd is op basis van bijvoorbeeld een overeenkomst. Geeft de betaler het recht het betaalde terug te vorderen.

Openbaar exploot
  –  Een exploot dat moet worden betekend aan iemand zonder bekende woon- of verblijfplaats. Het exploot wordt in deze gevallen betekend aan het parket van het openbaar ministerie, bij het gerecht van de plaats waar de zaak dienen moet. Daarnaast wordt een verkorte versie van het exploot gepubliceerd in de krant.

Opschorting
  –  Uitstel, bijvoorbeeld een debiteur die een vordering heeft op zijn crediteur mag de nakoming van zijn verbintenis opschorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt of een crediteur, wiens debiteur in verzuim is, mag zijn prestatie (bijvoorbeeld levering) opschorten

Overeenkomst
  –  Elke rechtsgeldige overeenkomst tussen leverancier en afnemer inzake een levering of verzending van zaken of verrichting van diensten tegen betaling. Hieronder vallen niet de leveringen aan een consignatiedepot en verkopen met een terugneemgarantie.

Pandrecht
  –  Beperkt zekerheidsrecht op niet-registergoederen, ofwel het recht dat een schuldeiser heeft om op het onderpand van zijn schuldenaar beslag te leggen of om uit de opbrengst van dat onderpand bij verkoop bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald.

Particulier
  –  Elk persoon die de leveringen van zaken en diensten afneemt anders dan voor de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Passiva
  –  De schulden van een onderneming. Deze staan vermeld op de creditzijde van de balans. De schulden worden onderscheiden in kortlopend en langlopend.

Persoon
  –  Hieronder wordt verstaan, zonder volledig te zijn, individuen, partnerships, bedrijven, vennootschappen, overheden, autoriteiten en andere entiteiten, rechtspersoonlijkheid bezittend of niet alsmede ieder persoon (waaronder "u" en "wij") inclusief rechtsopvolgers, gedelegeerden en vertegenwoordigers van zulke personen.

Plakopdracht
  –  Een door de ontvanger (ambtenaar belast met de invordering) aan de deurwaarder gegeven opdracht om een daartoe bestemd formulier op de woning of het bedrijf van schuldenaar te plakken, waarop dag en uur van de vastgestelde openbare verkoop staan aangegeven.

Politiebriefje
  –  Een aan schuldenaar gestuurde brief waarin staat aangegeven dat, vanwege het uitblijven van een reactie na betekening van het dwangbevel, thans invorderingsmaatregelen zullen worden genomen zoals beslag op bankrekening en/of roerende zaken. Bij afwezigheid van schuldenaar zal de toegang worden verschaft met behulp van de politie.

Preferente vordering
  –  Vordering die bij voorrang wordt voldaan in geval van executie van een geheel vermogen of een bepaalde zaak.

Procesbesluit
  –  Besluit van de opdrachtgever, waarin de opdrachtgever het incassobureau, gerechtsdeurwaarder of incassoadvocaat machtigt om namens hem een gerechtelijke procedure te starten en te voeren tegen de debiteur.

Prolongatie
  –  Het uitstellen van een reeds vastgestelde, via de plakprocedure bekend gemaakte, openbare verkoop naar een ander tijdstip vanwege een betaling of andere reden. Met prolongatie bij een kredietverzekering wordt verlenging bedoeld.

Provenu
  –  Provenu betekent, met betrekking tot een vordering, de opbrengst van elke betaling gerecupereerd door ons of door een derde persoon, inclusief de bedragen gerecupereerd via verrekening.

Provenu’s
  –  Provenu’s zijn alle bedragen, die hetzij voor hetzij na uitkering van schade zijn ontvangen van debiteuren of derden, inclusief:alle achterstalligheidsrente;alle opbrengsten verkregen uit zekerheden;alle crediteringen door de leverancier;alle door middel van verrekening geïnde vorderingen;elk bedrag van de opbrengst van zaken die u of de verzekerde hebben behouden of terugontvangen of zouden hebben kunnen behouden of terugontvangen, waarbij echter het desbetreffende bedrag niet lager zal zijn dan 50% van de factuurwaarde, tenzij in de verzekeringsovereenkomst van dit percentage is afgeweken.

Publikatieplicht
  –  Wettelijke regeling voor N.V.’s en bepaalde B.V.’s om hun jaarverslagen openbaar te maken.

Quick ratio
  –  De quick ratio geeft de verhouding tussen de vlottende activa exclusief voorraden en de vlottende passiva weer. Bij de berekening van de quick ratio laat men dus de voorraden buiten beschouwing, aangezien de tijd die het liquideren en/of elimineren van de voorraden in beslag kan nemen vrij lang kan duren. Denk hierbij aan het gehele proces wat voorafgaat voordat het geld daadwerkelijk op de rekening is bijgeschreven (verkoop goederen - debiteuren - geld op rekening gestort). Een positieve current ratio staat altijd boven de 1. Bij de quick ratio hoeft dit niet altijd te zijn. Een quick ratio onder de 1 is ook nog acceptabel, maar dan moeten de voorraden zeer courant zijn, zodat zij uiteindelijk ook een beetje bij zullen dragen aan de liquiditeit. Men berekent de quick ratio als volgt: vlottende activa -/- voorraden ------------------------------- = quick ratio vlottende passiva.

Recht van parate executie
  –  De bevoegdheid tot het inschakelen van middelen om betaling af te dwingen zonder tussenkomst van een rechter. Het betekende dwangbevel is de titel op basis waarvan over kan worden gegaan tot beslaglegging (tenuitvoerlegging dwangbevel).

Rechtspersoon
  –  Juridische onafhankelijke eenheid met eigen rechten en verplichtingen, los van de eigenaar/eigenaren.

Rechtsvorm
  –  De juridische status van een onderneming, in het bijzonder van belang voor de aansprakelijkheid van de leiding en de eigenaren van de onderneming.

Registergoed
  –  Goederen, waarvan de overdracht of vestiging ingeschreven dient te worden in daartoe bestemde openbare registers, bijvoorbeeld onroerende zaken, schepen, burgerluchtvaartuigen en aandelen.

Rekening courant
  –  Lopende rekening. Meestal de rekening die voor de afhandeling van het girale betalingsverkeer wordt gebruikt.

Rekening–courantkrediet 
  –  Het rekening-courantkrediet of bankkrediet is een vorm van kort lopend vreemd vermogen waarbij zowel de bank als de cliënt in een schuld- of vorderingspositie kunnen verkeren. Het is één van de meest voorkomende soorten krediet. Het betreft hier een rekening waar de onderneming al haar inkomend en uitgaand betalingsverkeer door laat lopen. Van tevoren is de onderneming met haar bank een maximale debetstand overeengekomen. Dit is het bedrag wat de onderneming maximaal 'rood' mag staan. De belangrijkste eigenschap van deze kredietsoort is dat het saldo van de rekening met grote regelmaat verschild. De ene keer in positieve mate en in de andere in negatieve mate.

Rentabiliteit
  –  De winstgevendheid van een onderneming, oftewel de mate waarin winst wordt gemaakt met het geïnvesteerde kapitaal (opbrengsten minus kosten).

Rente
  –  De rente, welke in rekening wordt gebracht respectievelijk wordt vergoed, op basis van het Burgerlijk Wetboek.

Resultatenrekening
  –  Winst– en verliesrekening: overzicht van de behaalde (bedrijfs)resultaten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar).

Risicoverzwarende omstandigheden. (kredietverzekering)
  –  Een risicoverzwarende omstandigheid doet zich voor bij: het onbetaald blijven van vervallen cheques of wissels; een stornering wegens ontoereikend saldo;het overeenkomen van wisselprolongatie na levering, verzending of verrichting van diensten;een sterke verslechtering van de betalingsmoraal;de beëindiging van de zakelijke relatie vanwege de kredietwaardigheid;het begin van gerechtelijk incasso respectievelijk het instellen van een rechtsvordering tegen de debiteur;het inschakelen van een incassobureau of een advocaat voor het incasseren van een vordering; en in ieder geval elke andere gebeurtenis die u dan wel de verzekerde ter kennis komt, die heeft geleid tot een verslechtering van de kredietwaardigheid van uw debiteur of daartoe zou kunnen leiden.

Roerende zaak
  –  Verplaatsbare zaak, dus ook bijvoorbeeld de registergoederen schepen en vliegtuigen. Tegenstelling: onroerende zaak.

Rolbericht
  –  Bericht van de gerechtelijke instantie (griffie), waarin de volgende stap in de gerechtelijke procedure wordt aangegeven. Hierbij valt te denken aan een conclusie van repliek of dupliek, vonnis, comparitie etc.

Salaris gemachtigde
  –  Het salaris van de gemachtigde in een procedure. Het salaris is verschuldigd op het moment dat de dagvaarding is betekend. Een van de partijen kan worden veroordeeld tot betaling van het salaris van de gemachtigde van de ander. De hoogte van het salaris is afhankelijk van het belang van de zaak en de hoeveelheid werkzaamheden die zijn verricht. Er wordt een standaardtarief gehanteerd, dat gebaseerd is op afspraken die zijn gemaakt met kantonrechters. Een kantonrechter heeft de bevoegdheid het salaris te matigen. Het salaris dekt over het algemeen niet het werkelijke honorarium.

Separatist
  –  De crediteur die in geval van faillissement zijn recht kan uitoefenen alsof er geen faillissement is, zoals de hypotheekhouder en de pandhouder van een zaak die tot de failliete boedel behoort.

Solvabiliteit
  –  De solvabiliteit is de mate waarin de onderneming in staat is het totale vreemd vermogen terug te betalen. Het is de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van een onderneming. Men berekent de solvabiliteit als volgt: Eigen vermogen / vreemd vermogen = SolvabiliteitVreemd vermogen

Sommatie
  –  Een schriftelijke of mondelinge mededeling, waarin een in gebreke gestelde wordt aangezegd dat binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan aan een (betalings)verplichting. In verband met bewijslast is schriftelijk sommeren belangrijk.

Stornering
  –  Een door de bank of giro geweigerde incasso–opdracht.

Surseance van betaling
  –  Wettelijk, door de rechter bepaald, uitstel van betaling van schulden.

Tenuitvoerlegging
  –  Het op grond van een executoriale titel uitvoeren van de bevoegdheid van de (gerechts)deurwaarder tot het verhalen van een vordering met toepassing van dwangmiddelen. Bij privaatrechtelijke vorderingen wordt de executoriale titel verkregen door betekening van een vonnis, bij publiekrechtelijke vorderingen door betekening van een dwangbevel.

Turn–around financiering
  –  Investering in een bedrijf dat verlies lijdt en waarvan de continuïteit zonder extern vermogen niet is gewaarborgd. Door middel van reorganisatie kan de onderneming weer levensvatbaar worden.

Uitgesloten debiteuren.
  –  De volgende debiteuren zijn vrijwel altijd uitgesloten bij een kredietverzekering. Overheidsdebiteuren, Particulieren, Debiteuren die betalen vóór levering of vóór verzending (vooruitbetaling),Debiteuren die betalen middels een geconfirmeerd onherroepelijk accreditief.

Vaste activa 
  –  Investeringen waarin geld langer dan een jaar wordt vastgelegd (machines, apparatuur, onroerend goed e.d.).

Vennootschap onder firma (v.o.f.)
  –  Ondernemingsvorm waarbij twee of meer natuurlijke personen (vennoten of firmanten genoemd) voor eigen rekening en risico een bedrijf voeren.De samenwerking houdt in dat ieder van de vennoten kapitaal en/of goederen en/of arbeid inbrengt met de bedoeling het hierdoor ontstane resultaat (dus winst of verlies) met elkaar te delen. De basis voor deze gezamenlijke bedrijfsvoering is de v.o.f.–overeenkomst (ook wel firmacontract genoemd). Deze overeenkomst kan onderhands worden aangegaan, zonder dat de notaris eraan te pas komt. Een akte van een notaris verdient echter beslist de voorkeur. Elke vennoot is aansprakelijk voor alle schulden van de v.o.f. en kan dus door de schuldeisers van de v.o.f. persoonlijk voor deze schulden worden aangesproken. Net zoals bij de eenmanszaak is het voor de getrouwde vennoot verstandig om door de notaris huwelijkse voorwaarden te laten vastleggen. Daarnaast is elke vennoot in beginsel onbeperkt bevoegd overeenkomsten te sluiten namens de v.o.f. Deze bevoegdheid kan in de v.o.f.–overeenkomst worden beperkt. Wanneer de vennoten zich op deze beperking in de bevoegdheid tegenover derden willen beroepen, moeten zij deze wel in het handelsregister van de Kamer van Koophandel laten inschrijven. Als één of meer vennoten alleen maar geld inbrengen en geen beheerdaden verrichten (dus naar buiten toe niet als vennoten optreden), is er sprake van een commanditaire of stille vennootschap. De vennoot die alleen kapitaal inbrengt (commanditaire of stille vennoot genoemd) is niet verder aansprakelijk dan tot het bedrag dat hij in de v.o.f. heeft gestoken.

Verbintenis
  –  Rechtsbetrekking tussen twee partijen krachtens welke de ene partij (schuldenaar, debiteur) tot een prestatie verplicht is waar de de wederpartij (schuldeiser, crediteur) recht op heeft.

Verbonden onderneming
  –  Elke onderneming, waarin de verzekerde direct of indirect in meerderheid deelneemt of welke direct of indirect in meerderheid in de onderneming van de verzekerde deelnemen, alsmede ondernemingen, waarop de verzekerde aantoonbaar anderszins bepalende invloed op de bedrijfsleiding kunt uitoefenen of welke aantoonbaar anderszins bepalende invloed op de bedrijfsleiding van de verzekerde kunnen uitoefenen.

Vereniging
  –  Een samenwerkingsvorm waarbij meerdere personen op voet van gelijkheid trachten een bepaald doel te verwezenlijken of een bepaalde activiteit te ontplooien, meestal zonder dat hieraan commerciële belangen ten grondslag liggen.

Verjaring
  –  Tijdsverloop waarna een recht verloren gaat of ontstaat; door verjaring kan de nakoming van een verbintenis niet meer worden afgedwongen.

Verklaring
  –  Schriftelijke weergave van de bevindingen van het incassobureau, gerechtsdeurwaarder of incassoadvocaat inzake een dossier van de opdrachtgever. De verklaring bevat eveneens een verzoek aan de opdrachtgever met betrekking tot de verdere voortzetting van de incassoprocedure. Daarbij heeft de opdrachtgever de keuze tussen het afrekenen van het dossier of het starten van een gerechtelijke procedure.

Vermogen
  –  Het totale bezit aan geld, goederen, rechten en vorderingen na aftrek van verplichtingen.

Verrekening
  –  Schuldvergelijking van gelijksoortige vorderingen, zodat de wederzijdse vorderingen tegen elkaar wegvallen, maximaal tot het bedrag van de laagste vordering. Beide partijen dienen akkoord te zijn met verrekening.

Verschotten
  –  De kosten die zijn gemoeid met de exploten, het griffierecht en het uitroepgeld.

Verstekproces
  –  Gerechtelijke procedure waarbij de gedaagde niet op de zitting verschijnt en bij verstek veroordeeld wordt door de rechtbank.

Vervaldag
  –  De in de overeenkomst overeengekomen datum waarop de debiteur de vordering uiterlijk moet hebben betaald.

Vervolgingskosten
  –  In de Kostenwet vastgestelde fiscale kosten van een aanmaning, dwangbevel, hernieuwd bevel en van overige exploten.

Verweerprocedure
  –  Gerechtelijke procedure waarbij de gedaagde bij de rechtbank in verweer gaat tegen de eis.

Verzending
  –  De zaken worden geacht te zijn verzonden op het tijdstip waarop zij worden overgedragen aan een derde – in het algemeen een transporteur – met het oog op vervoer naar de in de overeenkomst bepaalde plaats van levering.

Verzet (publiekrechtelijk)
  –  Procedure waarbij de schuldenaar/belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komt bij de rechtbank. Dit kan zowel beslaglegging als vorderingen ex artikel 19 Invorderingswet 1990 betreffen.

Vlottende activa
  –  Vlottende activa zijn die activa die reeds in liquide vorm als kas–, ban– of girotegeoden aanwezig zijn, danwel op korte termijn (binnen een jaar) hierin zijn om te zetten (voorraden, debiteuren e.d.).

Vonnis
  –  Rechterlijke uitspraak.

Vordering ex artikel 19 Invorderingswet 1990
  –  Vordering door eiser op het inkomen van de debiteur (loon, uitkering, pensioen, lijfrenten etc.); ook wel kortweg ‘loonvordering’ genoemd. Een dergelijke vordering is een fiscale bevoegdheid, voorbehouden aan de ontvanger van belastingen, op basis waarvan op vereenvoudigde wijze beslag op het inkomen kan worden gelegd. Een vordering kan ook gelegd worden op houders van penningen: een huurder, pachter, notaris of curator, die gelden van de debiteur onder zich heeft.

Vordering
  –  Het door de debiteur aan de verzekerde verschuldigde factuurbedrag, voortvloeiend uit een overeenkomst inzake de leveringen van goederen of uit diensten voor zover vallend binnen de werkingssfeer van de verzekeringsovereenkomst.

Vreemd vermogen
  –  Vreemd vermogen is al het kapitaal buiten het eigen vermogen wat aangetrokken wordt voor het voeren van de onderneming. Vreemd vermogen kan men in diverse vormen tegenkomen op de balans.

Vreemd vermogen op korte termijn
  –  Vreemd vermogen met een looptijd van uiterlijk één jaar.

Wettelijke rente
  –  Rente die verschuldigd is als vergoeding voor vertragingsschade bij een verbintenis tot betaling van geldschulden nadat de termijn van betaling is overschreden. Wettelijke rente aan consumenten bedraagt 6 %; wettelijk rente voor handelstransacties (BtB) bedraagt 9,5 %.

Werkkapitaal
  –  Formeel laat het werkkapitaal het bedrag wat over is na aflossing van het kort vreemd vermogen zien. Men berekent het werkkapitaal als volgt: vlottende activa minus kort vreemd vermogen kort = werkkapitaal. Informeel is het werkkapitaal het kapitaal waarover de onderneming vrij kan beschikken voor het uitoefenen van de daadwerkelijke ondernemingstaak.

Winst
  –  De winst is gelijk aan het verschil tussen de opbrengsten en de gemaakte kosten: Winst = Opbrengsten  –  Kosten

Winst– en verliesrekening
  –  De staat waarop de opbrengsten en kosten van een onderneming worden aangegeven met als resultaat een winst of een verlies (ook: resultatenrekening).

Winstreserve
  –  Onderdeel van het eigen vermogen dat is ontstaan door het inhouden van winst.

Zekerheden.
  –  Elke vorm van dekking van vorderingen door overdracht of verpanding van eigendom, andere belasting met zakelijke rechten, verpandingen van vorderingen als ook borgtochten of andere zekerheden.

Zekerheidsrechten
  –  Rechten die een schuldeiser voorrang verlenen bij de verdeling van de executieopbrengst van een zaak.